Erfelijkheid bij bijen
Het is winter en wat doe je dan als imker? Je gaat plannen maken voor het komende seizoen. Je bekijkt de resultaten van het afgelopen jaar en mogelijk ga je verbeteringen invoeren. Je duikt weer in de lectuur terwijl de bijen op de tros zitten te snoepen van het voer dat je ze in augustus en september hebt gegeven.
Zelf kwam ik op het idee weer iets te doen aan koninginnen teelt voor eigen gebruik. Vroeger toen ik nog meer volken had deed ik dat ook en waarom nu niet meer? Dat dit een gok is als je met niet "zuivere" koninginnen werkt komt duidelijk uit het "Groot Bijenboek" van R.P.Groenveld.
Dit is het boek waarmee ik begon, begin jaren zestig. Ik wil u dit hoofdstuk niet onthouden.
Erfelijkheid bij bijen
Wij vinden het heel gewoon, dat kinderen op hun ouders lijken. Dat geldt niet alleen voor uiterlijke kenmerken als gelaatstrekken, oog-en haar- kleur, maar ook voor karakter trekken: Hij heeft een aartje naar zijn vaartje, de appel valt niet ver van de boom. Omdat we zo gewend zijn, dat de eigenschappen van de ouder op de kinderen overerven, gaat de imker, die een uitstekend bijenvolk heeft, van de koningin zoveel mogelijk telen, in de verwachting, dat de dochters de goede eigenschappen van hun moeder zullen erven.
Die eigenschappen kunnen o.a. zijn: zachtmoedigheid, geringe zwermneiging enz.
We gaan even iets over de regels van erfelijkheid vertellen, maar slechts zover de imker bij eenvoudige koninginnenteelt nodig heeft.
Om te beginnen moet u weten, dat de regels volgens welke de eigenschappen van de ouders op de kinderen vererven, zowel voor planten als mensen gelijk zijn, al gaat het bij de bijen in enkele onderdelen toch weer niet geheel volgens de algemene regels.
Het lichaam van de plant, dier en mens bestaat uit een onvoorstelbaar groot aantal lichaamscellen. Die cellen zijn meestal zo klein, dat we ze alleen bij een erg sterke vergroting kunnen zien. Ook het lichaam van een bijenkoningin bestaat uit mijoenen lichaamscellen.
Zo'n lichaamscel gaan we even bekijken. Er zitten bij bijen 32 kleine staafjes in. Met een geleerd woord heten die staafjes chromosomen.
Eigenlijk moet ik zeggen, dat er in elke lichaamscel niet 32 maar 16 paar staafjes zitten. Zo:
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
I I I I I I I I I I I I I I I I
I I I I I I I I I I I I I I I I
Die staafjes horen namelijk twee aan twee bij elkaar. En we weten tegenwoordig, dat die staafjes de stoffelijke dragers van de erfelijke eigenschappen zijn.
Ik geef u even een voorbeeld, dat iets eenvoudiger is dan de werkelijkheid. Daartoe bekijken we de beide staafjes No.1 even. U kunt zich het beste voorstellen als kleine wormpjes met vele geledingen. Elk van die geledingen bevat een eigenschap. Op beide staafjes No.1 vinden we zowel onder als boven de eigenschap huidskleur. Als nu in beide staafjes No.1 de eigenschap zwarte huidskleur zit, is het lichaam van de koningin zwart. Op die staafjes zitten verder de eigenschap tonglengte. Het bovenste staafje kan de eigenschap lange tonglengte bevatten, het onderste de eigenschap korte tong. Onze koningin zal dan een middelmatige lange tong hebben. Op beide staafjes No.1 liggen nog veel meer eigenschappen. En alle 16 paar staafjes bepalen met elkaar alle lichamelijke eigenschappen en alle karaktereigenschappen van onze koningin.
In elk van de miljoenen lichaamscellen van onze koningin zitten dus die 16 paar staafjes. Nu gaat een van die lichaamscellen zich ontwikkelen tot een eitje. Daarbij gebeuren er vreemde dingen. Bij de vorming van het eitje gaan er namelijk 16 staafjes verloren. Dat gebeurd tegelijk erg systematisch en erg willekeurig.
Systematisch:Van elk paar staafjes gaat of het bovenste of het onderste staafje verloren, maar niet allebei. Willekeurig:Het is van te voren niet te zeggen of van een paar staafjes het onderste of het bovenste verloren gaat.
De staafjes in het eitje zouden er b.v. zo uit kunnen zien:
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
I I I I I I I I I
I I I I I I I
Nu het eitje ontstaan is, letten we even op de staafjes No.1, dat o.a. bepalend was voor huidskleur en tonglengte van de moeder. Zowel het onderste als het bovenste staafje bevat de eigenschap zwarte huidskleur. De eigenschap zwarte huidskleur van de moeder is dus overgegaan in het eitje. Het bovenste staafje van de moeder bevatte de eigenschap lange tong, het onderste de eigenschap korte tong. Het onderste staafje is verloren gegaan. daarmee ging de eigenschap korte tong verloren. In het eitje is de eigenschap lange tong overgegaan.
Nu gaat zich in het lichaam van de koningin het volgende eitje ontwikkelen. Het kan best zijn, dat daar nu juist alle onderste staafjes verloren gaan en dat alle bovenste overblijven.
En het daarop volgende eitje is het misschien weer precies andersom.
Als u erg goed kunt rekenen, begrijpt u, dat onze koningin achter elkaar ongeveer 60.000 eitjes kan leggen en dat daarvan geen twee aan elkaar gelijk behoeven te zijn wat de erfelijkheid betreft.
Uit die 60.000 eitjes kiezen dan de bijen (of kiest de imker) er 10 uit, die zich tot koningin zullen ontwikkelen. Leg u nu zelf maar eens de vraag voor, of het waarschijnlijk is, dat de dochters alle goede eigenschappen van de moeder zullen erven!
Nu moeten we het even hebben over een "teeltzuivere" koningin. We kijken weer even naar beide staafjes No.1. Bij een teeltzuiver koningin bevat het bovenste staafje precies de zelfde eigenschappen als het onderste staafje. Dat geldt ook voor de staafjes No.2, 3 enz.
Als nu een teeltzuivere koningin een eitje legt, gaat ook in dit geval van elk paar staafjes er een verloren. Maar: Als elk bovenste staafje precies de zelfde erfelijke inhoud bevat als elk onderste staafje, maakt het geen verschil welk van de twee over blijft!
Onze teeltzuivere koningin kan ook 60.000 eitjes na elkaar leggen, maar deze eitjes bevatten allemaal de zelfde eigenschappen als de moeder heeft.
Een eitje bevat maar 16 staafjes. Als het eitje niet bevrucht wordt, ontwikkeld het zich tot een dar. U begrijpt nu wel, dat darren, die zich ontwikkelen uit de eitjes van een teeltzuivere koningin, allemaal de zelfde eigenschappen bezitten als de moeder, behalve dat het darren zijn! De darren, die zich ontwikkelen uit de doorsnee koningin echter, verschillen allemaal onderling wat hun erfelijke eigenschappen betreft.
Het eitje dat zich in het lichaam van de koningin gevormd heeft, passeert op zijn weg de uitmonding van het zaadblaasje van de koningin, waarin de zaadcellen afkomstig zijn van een of meerdere darren. Een mannelijke zaadcel uit het zaadblaasje kan in het eitje doordringen. U herinnert zich, dat het eitje slechts 16 staafjes bevatte. De zaadcel bevat er ook 16.
Als de eicel en zaadcel samensmelten, bevat het eitje weer 32 (16 paar) staafjes. De helft daarvan komt van de moeder, de andere helft van de vader.
Zo'n bevruchte eicel wordt meestal werkster, maar enkele larfjes worden door extra goede verzorging tot koningin. Als het bevruchte eitje tot een koningin ontwikkelt, begrijpt u wel,dat die heel andere eigenschappen kan vertonen dan haar moeder. En dan spreken we er maar niet meer over, dat in het zaadblaasje van de moeder wel zaadcellen van verschillende darren kunnen zitten!
Het is nu wel duidelijk, dat een "doorsnee koningin" die paarde met een of meerdere "doorsnee darren" niet teeltzuiver is en dat we met geen mogelijkheid kunnen voorspellen, welke eigenschappen hun nakomelingen (koningin,werkbijen en darren) zullen bezitten.
Paart evenwel een teeltzuivere koningin met een of meerdere teeltzuivere darren van de zelfde "stam", dan zijn we er zeker van, dat de nakomelingen allemaal de zelfde eigenschappen hebben als de ouders.
In het bovenstaande hebben we de gang van zaken wat eenvoudiger voorgesteld dan die in werkelijkheid is, maar de naar voren gebrachte principes beantwoorden geheel aan de werkelijkheid. We moeten alleen nog opmerken, dat volkomen "teeltzuivere" koninginnen alleen maar op papier bestaan. In de praktijk van koninginnenteelt hebben we echter wel in hoge mate teeltzuivere koninginnen. Die bieden geen absolute zekerheid, maar wel een grote mate van waarschijnlijkheid dat het nakroost de zelfde eigenschap bezit als de ouders.
Voor de praktijk van onze koninginenteelt is dat voldoende. Het is wel duidelijk, dat we bij het telen van koninginnen het beste kunnen uitgaan van in hoge mate teeltzuivere koninginnen, die zoveel mogelijk door ons gewenste eigenschappen en zo weinig mogelijk ongewenste eigenschappen bezitten. Ze moeten worden bevrucht door darren van haar eigen "stam".
Tot zo ver R.P. Groenveld
Het moge duidelijk zijn dat nateelt van niet teeltzuivere koninginnen op een loterij lijkt. Maar laat dit niet de reden zijn, het niet te doen.
Het gaat ook heel vaak goed en is leuk om te doen.
0000////0000